variae lectiones

Wat dit is

De titelpagina en het voorwoord van de lijst met Latijnse varianten: Variae lectiones in de Vulgaat, verzameld uit zeer oude handschriften en getoetst aan de Hebreeuwse, Chaldeeuwse, Griekse en Syrische tekst, door enkele theologen van de Leuvense universiteit. Het voorwoord is van Johannes Harlemius.

Samenvatting van het voorwoord

  • Basistekst: omdat de Complutensische Bijbel bij alle kenners in hoog aanzien staat, hebben de geleerden aan wie de koning deze Bijbel toevertrouwde besloten de Vulgaattekst naar die Complutensische Bijbel te drukken. Afwijkende lezingen uit oude handschriften komen aan het eind van het werk.
  • Handschriften: gebruikt zijn de handschriften waarmee Hentenius eerder de Leuvense Bijbel maakte, voor zover ze uit diverse bibliotheken ter beschikking kwamen, plus vijftien andere die Augustinus Hunnaeus met veel moeite en kosten had verzameld.
  • Toetsing aan de bronnen: bij elke Latijnse variant wordt aangegeven welke lezing dichter bij het Hebreeuws, Chaldeeuws en Grieks staat (Oude Testament) of bij het Syrisch en Grieks (Nieuwe Testament). De rechtvaardiging: bij troebele beekjes moet men terug naar de bron, met een beroep op Hiëronymus (brief aan Sunnia en Fretela) en Augustinus (De doctrina christiana II, 11).
  • Twijfelgevallen: waar niet uit te maken viel welke lezing dichter bij de bronnen staat, of waar de plaats van weinig belang was, staat alleen “Ms.”.
  • Vermoede schrijffouten die door geen enkel handschrift gedekt worden, durfden ze niet tussen de varianten te zetten; die staan apart aan het eind.
  • Typografie: de woorden waarin de codices verschillen zijn in een ander lettertype gezet.
  • Slot: alles wordt onderworpen aan het oordeel van de Roomse Kerk, aan wie het toekomt over de echte lezing en uitleg van de Schrift te beslissen.

De sigla

  • Ms.: een lezing die afwijkt van de gedrukte tekst van deze Bijbel, uit één of meer oude Vulgaathandschriften.
  • H.: de lezing die dichter bij de Hebreeuwse tekst staat.
  • C.: de Chaldeeuwse parafrase zoals in deze Bijbel gedrukt.
  • G.: de Griekse tekst zoals in deze Bijbel opgenomen.
  • S.: de Syrische lezing van het Nieuwe Testament in deze Bijbel.
  • Hier.: bij de profeten, de lezing in de tekst bij Hiëronymus’ commentaren.

Wat dit voor je vraag oplevert

  1. De cirkel staat er nu zwart op wit. “G.” is uitdrukkelijk de Griekse tekst van de Polyglot zelf, geen Griekse handschriften. “Sicut G. habent” bij 1 Johannes 5:7 verwijst dus naar de eigen Complutensische kolom.
  2. Ook de Vulgaat komt uit Alcalá. Dat beantwoordt wat ik eerder openliet, en verklaart waarom Latijn en Grieks bij vers 8 gelijk lopen: beide volgen dezelfde Complutensische ingreep.
  3. De acribie zat in het Latijn. Er is serieus gecollationeerd, met een benoemd handschriftenbestand en een doordachte methode. Maar de bronteksten waaraan getoetst wordt, zijn als gegeven aangenomen. Het “terug naar de bron” van Hiëronymus wordt toegepast met een bron die zelf niet onderzocht is.

Dit is werk van de Leuvenaars, niet van Montano’s eigen ploeg; het zegt dus vooral iets over hoe het Griekse Nieuwe Testament binnen het project als geheel functioneerde.